Op een uurtje rijden van Galdakao ligt de rijkste stad van Baskenland: San Sebastián. De Baskische naam is Donastia. Dat lijkt niet eens op de Spaanse naam.
De Basken zijn trots op hun eigen cultuur. Het geld is de andere reden waarom Baskenland een autonome staat wil zijn. Overal in Bilbao hangt de Baskische vlag. Aan balkonnen, voor ramen van huizen, in winkels en horeca. De Spaanse vlag vind je alleen bij de overheidsgebouwen. De Pakistaanse vlag vind je ook overal in Bilbao. Je kan hem zelfs kopen bij de lokale Action.
Bij het hotelontbijt in Galdakao kregen we een stuk Baskische cheesecake. Die moesten we geprobeerd hebben, zei de eigenaresse. Hij was inderdaad heel lekker en smaakte naar de Portugese pastel de nata. Dat hebben we niet gezegd, want als het Baskisch is dan is het uniek. Het hotel is vernoemd naar de eerste voetballer die op een WK voor Spanje heeft gescoord (1934). Het was een Bask. Puntje voor Baskenland. Bijna niemand weet dat, zei de eigenaresse. Die ook nog wist te vertellen dat hij uit Galdakao kwam. De legendarische voetballer was haar vader.
In punten voor Spanje leken ze in Baskenland niet zo geïnteresseerd. Het WK was en Spanje dong nog mee. Ze speelden de achtste finale tegen Portugal.
In ons hotel werd ook gekookt, maar niet op maandag, dinsdag en woensdag. De eigenaresse tipte ons eettentjes in het centrum van Galdakao. We moesten de straat uit en de brug over. Daar lagen de flats met horeca en winkels in de plint van de gebouwen. Op naar het eten.
In de jaren 1960-1980 was het daar helemaal volgebouwd. De ruimte tussen de flats vormde de straten en pleinen. Veel flats waren in blokken opgetrokken om pleinen te creëren. Ieder plein had horeca in de plint en speeltoestellen voor de kinderen. Ook was het er druk. Het leven speelde zich af op straat.
Die week las ik in het Parool een column over een groep Drentse dames die een Amsterdamse bruine kroeg binnenliepen en het er allemaal zo authentiek en enig vonden uitzien. Ze bestelden koffie en thee en de barman zei dat het koffieapparaat helaas die ochtend kapot was gegaan. Hij had er geen zin in gehad. Het was teveel gedoe. Bovendien hoor je in een bruine kroeg geen koffie te drinken. Ongetwijfeld waren er gasten voor wie hij de moeite wel deed, maar niet voor deze verdomde toeristen.
Tussen de flats waren wij de Drentse dames. Het verschil met de Drentse dames was dat wij niet van de lokale cultuur aan het genieten waren. Vanaf de terrassen werden we aangestaard alsof we blonde haren hadden. En er een beetje verloren bijliepen. Er was nog een verschil met de Drentse dames. Zij waren toeristen in een stad die bezweek onder het massatoerisme. Galdakao had daar geen last van. Wij waren gewoon ouderwetse vreemden: in de minderheid. Wij waren een bezienswaardigheid.
Bovendien zochten we iets wat er niet bleek te zijn. Overal waren pinchos. Iedere bar had wel een vitrine met schalen vol pinchos. Hapjes die op een sneetje stokbrood worden gespiesd. Je bestelt een drankje en neemt er een pincho bij. Het is de Baskische borrelhap. Wij zochten een horecagelegenheid met een menukaart. Toen we er eindelijk een hadden gevonden, schudde de bediening van nee. We hadden het niet gevonden. Uiteindelijk lukte het om ergens een hamburger te bestellen. Vanaf een menukaart vol hamburgers. We hadden gewoon voor de pinchos moeten gaan. Maar het was onze eerste dag in Baskenland en we hadden het nog niet helemaal door. Waarschijnlijk hadden we dit allemaal kunnen weten, zoals de Drentse dames hadden moeten weten dat ze geen koffie moesten bestellen in een bruine kroeg.
Wat we nog meer over Galdakao hebben geleerd is dat er een krater op Mars naar Galdakao is vernoemd. Kleine kraters op Mars (minder dan 60 kilometer in diameter) krijgen willekeurig de namen van kleine steden en dorpen op aarde. In dit geval had een Baskische professor het verzoek ingediend de krater naar zijn geboorteplaats te laten vernoemen. De eigenaresse van het hotel kende hem ook.
